Dag vlinder

Kijk mama, een vlinder! En hop daar zit ze op haar hurken. Gebiologeerd naar de vlinder te staren. Wat is die mooi hè mam. De vlinder besluit dat het genoeg is geweest en fladdert weg. Aaaahhh, klinkt het teleurgesteld uit haar mond. Ze volgt hem met haar ogen en dan daalt de vlinder en gaat lekker in het zonnetje op de stoep zitten. Ze rent er op af en de vlinder schrikt en fladdert direct weer weg. Ze staat direct stil en volgt opnieuw de vlinder met haar ogen. De vlinder neemt zijn plekje op de stoep in. Nu sluipt ze er naar toe en gaat heel rustig naar beneden.

Hallo vlinder, hoor ik met een zacht stemmetje. Hoe heet jij? Heb je wel een naam? Mam! Ik denk dat de vlinder geen naam heeft. We moeten haar een naam geven hoor. Het zachte stemmetje gaat weer verder. Waar zijn je papa en mama? Ik ga naast haar op de grond zitten. Een verbaasde fietser passeert ons. Ik draai me om en zie dat hij zich ook heeft omgedraaid om te kijken wat er daar toch allemaal gebeurd op de stoep. Ondertussen ligt mijn dochter languit op de grond, oog in oog met de vlinder. Mahaaam, we moeten haar een naam geven! Weet jij er één zeg ik tegen haar. Nee, jij moet het bedenken. Ik noem een paar namen die allemaal direct een ‘nee’ krijgen. Welke naam vind jij bij deze vlinder passen? vraag ik haar. Ze heet ‘fladder fladder’ zegt ze dan. Ze deelt het mede, alsof ik dat hoorde te weten. Ik knik instemmend, mooie naam zeg ik dan. Ja zegt ze.

Ondertussen staat er een oude man over de heg te staren. Hij kijkt me enigszins vreemd aan. Dan besef ik me dat ik alleen zichtbaar ben. Zijn beeld is dat er een volwassen vrouw op de stoep zit, naar de grond te starend en hardop pratend. Ik sta op en noem dat er een vlinder op de stoep zit. Hij kijkt me meewarrig aan. Ach die arme vrouw, ze lijkt de weg wel kwijt… Ik zie het hem denken. En mijn dochter ligt hier ook op de stoep hoor, zeg ik vlug. Alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. Hij knikt. Er zit een vlinder op de stoep, ze heet nu ‘fladder fladder’. Ach, ah zo, zegt de man. Ik zucht. Hoe ik mijn best doe, dit verhaal wordt er niet beter op. De man begint te lopen en komt om de heg heen kijken. Dan ontstaat er een glimlach en een twinkel in zijn ogen.

Mijn dochter heeft haar hoofd in haar handen en haar benen bungelen in de lucht. Ze stelt de vlinder allemaal vragen, geen van allen worden beantwoord. Waar zijn je papa en mama? Misschien moet je naar je papa en mama gaan. Ben je een rups geweest? Wat voor kleur had je toen? Nu heb je mooie kleuren. Oranje, wit en bruin. Hé je hebt haartjes. Dat is gek. Had je als rups wel een papa en mama? De oude man en ik luisteren een tijdje mee. Dan wijst hij me op de donkere lucht. Ik knik. Tijd om te gaan.

Lievie, zeg je dag tegen ‘fladder fladder’. Nee hoor, ze vliegt wel met ons mee. Dat kan ik je niet beloven. Je kunt beter nu ‘dag’ zeggen. Als we ‘fladder fladder’ weer tegen komen, dan zeg je gewoon weer ‘hallo’. Oké… zegt ze. Mokkend zegt ze ‘dag fladder fladder’. We lopen verder en ze draait zich nog eens om. ‘Daaaaag! Fladder Fladder!!!’, ze staat met twee handen tegelijk te zwaaien. De oude man staat leunend op zijn schoffel toe te kijken. Hij glimlacht, kijkt me aan en knipoogt. Mijn lach is groot.

Op de terugweg rennen we over de stoep. De regen zit ons op de hielen. Waar is Fladder Fladder? Hoor ik met lichte paniek in haar stem. Ik zie haar niet! Ze heeft vast een veilig plekje gezocht lievie, een plekje om te schuilen. Ze knikt instemmend en we rennen gauw verder. De eerste druppen vallen als we de deur open doen. Het onweer volgt al snel. Ja, Fladder Fladder zit vast op een veilig plekje hoor ik haar zeggen terwijl ze de duplo pakt en aan het bouwen gaat.

fladder fladder

Bewaren

No Comments

Leave a Comment